In De Opera heb ik vandaag voor het eerst echt kennis gemaakt met Jos van Lavieren. We kenden elkaar van gezicht: twee mannen op leeftijd die bij een kopje koffie de krant komen lezen, met uitzicht op het Koningsplein (voor mij is dat het meest Portugese pleintje van Nijmegen) en eventueel een babbeltje tussen het lezen van het nieuws uit Nijmegen en de rest van de wereld.

We hebben wel een half uur met elkaar gepraat en het bleek dat onze wegen zich al heel vaak, wel een keer of zes, hadden gekruist of parallel hadden gelopen. We hebben allebei Wim van den Munkhof heel goed gekend, we vonden hem allebei heel erg aardig, waren allebei meerdere keren bij hem op bezoek geweest, in de van Nispenstraat, we hadden allebei zijn begrafenis bijgewoond. Jos had meerdere keren een gesprek gehad in de Gastarbeidwinkel (vanuit basisschool De Driemaster), dat was eind jaren zeventig. We haalden herinneringen op aan Marie-José Buck (tegenwoordig voorzitter van het Ankie Mensink Fonds), aan Pieter Beerens en aan andere mensen en aktiviteiten in die voormalige slagerij aan de Holtermanstraat.
We hadden ongetwijfeld ook wel eens in dezelfde demonstratie meegelopen.

Maar voor zover we konden nagegaan hadden we elkaar nooit persoonlijk ontmoet.
Hoe is het mogelijk.
En nu dus wel.
Hoe is het mogelijk.

We realiseerden ons, dat we allebei het grootste stuk van ons leven achter ons hebben en dat we niet weten hoeveel tijd we nog zullen leven. Om de tijd te rekken zullen we ons lijf goed moeten verzorgen, nog beter dan we al deden.
Maar hoe dan ook: elke dag blijft er een dag minder over. De dood kwam altijd al steeds dichterbij, maar nu is het aftellen echt begonnen.
Tijd is heel erg kostbaar geworden.


Bij mij was het eigenlijk altijd zo:

Tijd = Geld.

Geef mij maar de Tijd.


En misschien gaat het niet zozeer om tijd maar om Chi. Misschien zijn niet onze dagen geteld, maar onze ademhalingen.