Techniese assistentie:
Rob Kuhlmann
van Thunk

Ons Moeder is dood


Moest m’n moeder gaan begraven,
'k werd gebeld, er was paniek
“Kom terug, je moet gauw komen,
ons moeder is ziek, verschrikkelijk ziek.”

Ik was in de Pyreneeën
geiten melkend met de hand.
In het donker nog de berg af
vlug terug naar het lage land.

Naar Parijs per TGV,
kon niet slapen in de nacht,
denderdender, naar het Noorden,
toch nog slapen laat die nacht.

’s Morgens vroeg, in de metro,
Algerijnen naar hun werk
ook mijn ogen amper open,
maar ik ging niet naar mijn werk.

Weer een trein, nu dwars door Vlaanderen,
'k zag de sneeuw die vredig viel,
het was de derde van november,
zachte sneeuw die toen al viel.

Aan haar sterfbed met zijn allen,
het ziekenhuis dat leek zo groot
stonden bij haar, wilden weten : 
leeft ze nog, of is ze al dood ?

En dan later naar het kerkhof,
’t dameskoor dat zong vol gloed
voor mijn moeder : "Zuiv're bloe-oeme,
Maagd Maria, Wees Gegroet."

Ik was stil, ik kon niet huilen,
voelde toen nog geen verdriet,
moest wel verder zonder moeder,
voor haar zing ik nu dit lied.


Mijn moeder is gestorven op 3 november 1980, ze was toen net 61 jaar oud. Ik woonde in 1980 op Mas Caraus. Maar in de laatste weken van oktober had ik druiven geplukt, in de buurt van Fleurance. Toen de vendange afgelopen was begon ik op 1 november terug te liften naar Caraus. Het was 350 kilometer, voor Franse begrippen niet echt ver, maar ik deed er wel twee hele godsganse dagen over. Het was Allerheiligen en Allerzielen, zaterdag en zondag, de auto's zaten vol met familie. In Carcassonne vond ik na lang zoeken een hotelletje, niet te duur. Pas op
2 november om een uur of negen 's avonds kwam ik weer aan op Mas Caraus. De laatste hellingen, vanaf Montferrer, had ik moeten lopen.

Ik was tijdens het druiven plukken en ook liftend niet bereikbaar geweest, daar maakte ik me in die tijd niet druk om en het was toen ook nog niet zo bijzonder.
Maar ze hadden mij dus nergens kunnen vinden. Omdat mijn moeder echt niet lang meer te leven had, hadden ze veel moeite gedaan om mij te bereiken, er was zelfs een oproep uitgezonden op Radio Nederland Wereldomroep.
Meteen toen ik binnenkwam in Mas Caraus, zeiden ze: je moet naar thuis bellen.
Toen zei ons Maria, dat ik zo snel mogelijk moest komen, maar dat het misschien al te laat was. Ons moeder lag in het ziekenhuis en het ging heel slecht en ze was niet meer bij kennis. Ik begreep meteen dat ze dood zou gaan of al dood zou zijn als ik daar aaankwam.
Bart bracht me terug naar beneden, hals over kop met de auto naar Perpignan. En ik was toevallig net op tijd om in de TGV te stappen, zonder kaartje, maar dat kwam goed.
Vanuit een telefooncel in Roozendaal naar huis gebeld en toen stonden ome Janus en tante Marie al op mij te wachten in Tilburg. Ze brachten me rechtstreeks naar het ziekenhuis. Ons moeder lag op een kamer aan een infuus en een beademingsapparaat. Ik zag dat haar voorhoofd lijkbleek was en gaf er een kus op. Het was koud.
We werden bij de dokter geroepen. Die zei, heel netjes en met gevoel, maar zonder er doekjes om te winden: "Het lijkt of ze nog leeft, maar dat komt alleen door die machine, haar hersens zijn dood. We kunnen die apparaten weghalen of niet. Het is aan jullie om dat te beslissen." We hoefden er niet lang over te praten.
 
Op de begrafenis zong het dameskoor onder andere het li
ed God groet U zuiv're bloeme. De keuze voor dat lied was gewaagd, want het is nogal uitbundig, maar wij dachten: dàt vond ons moeder mooi. De Mariaverering was minstens de helft van haar geloofsbeleving.
Daar kwam nog bij: ons moeder was twee jaar daarvoor heeeel erg ziek geweest, echt op het randje van de dood. Ze had alvleesklierontsteking, ze werd geopereerd, maar de ontsteking was zo erg dat ze er een opgezwollen buik van kreeg, zo dik dat het leek of ze in verwachting was. Antibiotica werkten niet. Ze had hoge koorts en wat men ook deed op de intensive care, ze kregen die temperatuur niet naar beneden. Ze werd op een gekoeld bed gelegd, met een ventilator erbij en alleen een laken over haar heen. Toen ik dat zag dacht ik: dit zijn echt paardenmiddelen, dit soort dingen doen ze alleen als ze het echt niet meer weten. Maar ze haalde het. Ze mocht weer naar huis, dat wilde ze heel graag, ook al was de wond nog niet helemaal genezen. Ze herstelde heel langzaam, maar gaandeweg kon ze zelfs weer fietsen, naar familie, naar de kerk.
Toen ze stierf hadden we het gevoel: die twee laatste jaren, die waren een toegift geweest. Daarom konden we vrede hebben met haar dood.