Omdat ik een zwerende vinger had moest ik twee keer per dag een minuut of 10 met die vinger in heet water met soda
zitten, in het simpele ziekenzaaltje van Pater Bohemen. Zoals alle paters had hij een bijnaam : Boem, geen idee waarom hij zo genoemd werd, het was een goedige man.
Terwijl ik daar maar zat, terwijl het water langzaam een beetje minder heet werd, babbelde hij wat om mij bezig te houden. Ik zat toen in de tweede klas van het gymnasium, op het klein seminarie en ik moest elke dag een bladzijde Latijnse woordjes van buiten leren, maar dat deed ik niet altijd.
Grammatica vond ik interessant en vertalen deed ik met veel plezier, maar woordjes stampen niet.
Hij vertelde mij dat dat toch moest, dat is de enige manier om een taal te leren.

Hij zei:

Aqua cavat lapidem, non vi sed saepe cadendo.

De druppel holt de steen uit niet met kracht, maar door dikwijls te vallen.

Je kunt een taal niet in één dag leren, Latijn niet en Nederlands als 2e Taal ook niet. Als die druppel eens een keer níét valt, een les overslaan, is er niks aan de hand. Maar de druppel  moet wel blijven vallen, dag na dag, week na week, jaar na jaar. Als je te vaak andere dingen belangrijker vindt, leer je de taal niet.