Tjeu en Jan-Willem.
Tjeu kwam met de bakfiets uit Lent, waar zijn werkplaats was, naar Nijmegen.
De bakfiets lag vol met stukken hout, in allerlei rare vormen, schots en scheef.
Die stukken hout paste hij in elkaar en ze werden met lijmklemmen aangetrokken. Er werd geen lijm gebruikt en ook geen schroeven. Pas toen de trap helemaal klaar was, werd hij met een paar bouten aan de muur vastgemaakt.

Tjeu had alles in zijn werkplaats precies, op de millimeter, op maat gemaakt. En telkens als er wéér een trede precies paste, zei hij: Hoe'st mógelijk!

Sabrina, steun en toeverlaat.
Gaten op de knieën waren toen nog echt.

Raf mocht als eerste poberen of de trap sterk genoeg was.
Raf was vernoemd naar de Rote Armee Fraction, omdat hij zo wild was.
Grapjes maken over de RAF vond ik in die tijd, 1982, toch wel een beetje gewaagd.

Tjeu rust uit op de trap, met een sigaartje. En hij wilde niet graag op de foto. Nooit. 

Toen de trap helemaal in elkaar gezet was, bleek dat hij twee centimeter te hoog was. Dat was geen ramp, daar zou je niet over struikelen. Maar Tjeu was zeer ontevreden. Hij keek alles nog eens goed na en hij snapte er niets van. Hij had alles toch goed gemeten?!
Hij ging op de rand van het trapgat zitten roken. Plotseling sprong hij met een flinke dreun vanaf het trapgat op de trap. Ik schrok me een ongeluk.
Zoals gezegd: er zat geen spijker of schroef in, zonder lijm, het waren alleen treden en planken en palen, die met houtverbindingen in elkaar gepast waren. Tot op dat moment hadden wij er alleen heel voorzichtig over mogen lopen, als dat nodig was.
Maar het probleem was opgelost: door de dreun zakte het geheel precies twee centimeter.

Tjeu en Sabrina op het dak. De volgende klus: een dakkapel. Dus een gat in het dak maken en "in een moeite door" alle dakpannen en panlatten schoonmaken, en waar nodig, vervangen. 

Sabrina aan het stofzuigen, René aan het werk met een sjekkie.

Zelfs Adnoub op het dak met de handveger. Hij kwam wel eens op bezoek bij Jan-Willem en Sabrina, een oude, versleten Marrokaan. Dat hij nog zo kras en lenig was dat hij het dak op kon, verbaasde mij zeer.

De telefoon ging, het was voor Tjeu, en warempel, het snoer was lang genoeg. Moest Tjeu zelfs op het dak een telefoongesprek voeren en daar had hij so wie so een hekel aan.

Jan-Willem, Tjeu en Sabrina in het gat waar de dakkapel moest komen. 

Tjeu met de kozijnen van de dakkapel. 

Tjeu aan het werk en ik kijk toe.
Op mijn hoofd een rode boerenzakdoek, die nog van Walther geweest was.
Tjeu had soms ook figuurlijk een plank voor zijn kop.

Het raamwerk van de dakkapel staat er.